HET FINANCIEEL PLAN IN HET VOORONTWERP VAN WET OP DE INVOERING VAN WETBOEK VENNOOTSCHAPPEN EN VERENIGINGEN





1.  Algemeen

De Minister van Justitie deelde enige tijd geleden aan de Raad van State een voorontwerp van wet tot invoering van een wetboek vennootschappen en verenigingen in.

Deze wet zou het vennootschapsrecht actualiseren en de verenigingen mee incorporeren in één tekst. Het voorontwerp is enerzijds een coördinatie, maar bevat ook veel nieuwigheden. Enige overlast die eigenlijk ondermeer sedert de afschaffing van aandelen aan toonder geen nut meer had, wordt terecht afgeschaft. Nieuwe structuren die actueel zijn en de economische realiteit volgen worden gecodificeerd.

Teksten worden verduidelijkt, en eigenlijk ook in overeenstemming gebracht met de economische realiteit en rechtspraak.

Een van die wijzigingen betreft het financieel plan.
 
2.  Het oprichtingskapitaal en het financieel plan

Voor de oprichting van een BV (de Besloten Vennootschap, de nieuwe BVBA), een Coöperatieve Vennootschap en een NV wordt aan de notaris een financieel plan overhandigd.

Dit financieel plan wordt nu gedefinieerd in het voorontwerp als volgt:
 
  Art. 5:4. § 1. Vóór de oprichting van de vennootschap overhandigen de oprichters aan de optredende notaris een financieel plan waarin zij het bedrag van het aanvangsvermogen verantwoorden in het licht van de voorgenomen bedrijvigheid van de vennootschap over een periode van ten minste twee jaar. Dit stuk wordt niet neergelegd met de akte, maar door de notaris bewaard.
  § 2. Het financieel plan dient minstens volgende elementen te bevatten:
  1° een nauwkeurige beschrijving van de voorgenomen bedrijvigheid;
  2° een overzicht van alle financieringsbronnen bij oprichting, in voorkomend geval, met opgave van de in dat verband verstrekte  zekerheden;
  3° een openingsbalans opgesteld volgens het schema bedoeld in artikel 3:3, evenals geprojecteerde balansen na twaalf en vierentwintig maanden;
  4° een geprojecteerde resultatenrekening na twaalf en vierentwintig maanden, opgesteld volgens het schema bedoeld in artikel 3:3;
  5° een begroting van de verwachte inkomsten en uitgaven voor een periode van minstens twee jaar na de oprichting;
  6° een beschrijving van de  gehanteerde hypotheses bij de schatting van de verwachte omzet en de verwachte rentabiliteit;
  7° in voorkomend geval, de naam van de  externe deskundige die bijstand heeft verleend bij de opmaak van het financieel plan.
  § 3. Bij de opstelling van de geprojecteerde balansen en resultatenrekeningen kan een andere periodiciteit dan deze bedoeld in § 2, 3° en 4° worden gehanteerd op voorwaarde dat de projecties in totaal betrekking hebben op een periode van minstens twee jaar na de oprichting.
 
 
 
 
 
 
 
 

















De memorie van toelichting bij het voorontwerp stelt over het financieel plan het volgende:
 
De verdwijning van de minimumkapitaalplicht wordt opgevangen door een vereiste van toereikend aanvangsvermogen. De oprichters hebben de plicht erop toe te zien dat de vennootschap bij de oprichting over een vermogen kan beschikken dat toereikend is om de voorgenomen bedrijvigheid te voeren. Deze bepaling bevestigt uitdrukkelijk wat op basis van de algemene zorgvuldigheidsnorm reeds mag worden aangenomen. Wie meewerkt aan de oprichting van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (ook de NV) handelt foutief wanneer van bij aanvang duidelijk is dat de vennootschap niet over voldoende  middelen zal beschikken om de vooropgestelde activiteiten te financieren. De bepaling in ontwerp verduidelijkt dat het aanvangsvermogen uit eigen middelen moet zijn samengesteld, maar dat bij de beoordeling van het toereikend karakter van dit aanvangsvermogen mag worden rekening gehouden met achtergestelde leningen die ook kunnen bijdragen tot een toereikende financiering van de vennootschapsactiviteiten.
 
De verplichting om een financieel plan op te stellen (artikel 215 W.Venn.) wordt behouden en verscherpt. Het financieel plan, dat zijn nut in de praktijk heeft bewezen, beoogt een dubbel doel. In de eerste plaats moet het de lichtzinnige oprichting van vennootschappen beletten. De spreuk “bezint eer ge begint” indachtig, moeten de oprichters nadenken over de voorgenomen bedrijvigheid en de nodige financiële middelen ter beschikking van de vennootschap stellen. In de tweede plaats beschermt het de oprichters omdat het de rechter in staat stelt hun aansprakelijkheid wegens de oprichting van een vennootschap met een kennelijk ontoereikend aanvangsvermogen (art. 5:15, 2°) te beoordelen op grond van de toestand en de informatie die op het tijdstip van de oprichting voorhanden waren. In het licht van deze dubbele functie volstaat het dat het plan door de notaris wordt bewaard, zonder dat het openbaar moet worden gemaakt.
 
In het licht van de vervanging van de minimumkapitaalplicht door de plicht om in een toereikend aanvangsvermogen te voorzien, en van de afschaffing van de S-BVBA, worden de verplichtingen inzake financieel plan versterkt. De minimuminhoud ervan wordt in het wetboek zelf bepaald. Uiteraard kunnen de oprichters voor de opstelling van een financieel plan een beroep doen op de bijstand van een extern expert. Voor startende ondernemers valt dit zelfs aan te raden. Om de kosten van oprichting evenwel niet in alle gevallen te verzwaren, wordt ervoor geopteerd dergelijke bijstand niet verplicht te maken.
 
De definitie stelt derhalve duidelijk dat het aanvangsvermogen uit eigen middelen moet bestaan, eventueel aangevuld met achtergestelde leningen.

Van belang is dat in de memorie van toelichting wordt verwezen naar de zorgvuldigheidsnorm van de oprichters. In samenlezing met de bepaling van artikel 5.17 (BV en CV) en 7.17 (NV) van het voorontwerp heeft de rechtbank die zal moeten oordelen over een aansprakelijkheid van de oprichters bij faillissement binnen de 3 jaar vanaf de oprichting een marginale toetsing, door de opname van de term "kennelijk". De onderkapitalisatie - het ontoereikend aanvangsvermogen  - moet dus flagrant duidelijk zijn.

Het gaat ook om een beoordeling "ex ante" zoals bij bestuurdersaansprakelijkheid. De rechter plaatst zich op het moment van de oprichting.

Het aanvangsvermogen wordt omschreven als het "kapitaal" vermeerderd met de achtergestelde middelen; De term achtergesteld is uitdrukkelijk vermeld. Een volledige volstorting is niet vereist, maar wordt in principe verwacht. de statuten kunnen voorzien in een gedeeltelijke volstorting.
 
3. Overeenstemming met antecedenten

In deze nieuwe definitie wordt de inhoud van het financieel plan duidelijk gedefinieerd. Dergelijke definitie ontbrak voorheen in de wet.

Er wordt evenwel een veel uitgebreidere invulling vereist dan louter een cijfermatige weergave.
De schematische weergave van de financiële middelen zal dienen te gebeuren aan de hand van het traditionele rekeningstelsel.

Het principe van de zorgvuldige oprichter zal dan ook aan meer elementen getoetst worden. De wettigheidscontrole van de notaris bij oprichting van een vennootschap kan verzwaren. De notaris bewaart wel het financieel plan nog.

Het flagrante karakter blijft zoals vroeger te beoordelen in een marginale toetsing, nog steeds op het moment van de oprichting.

De appreciatie of er kennelijk onvoldoende aanvangsvermogen is zal een feitenappreciatie blijven met als toetssteen de "zorgvuldige oprichter".
 
Marc KIPS
Partner
cgkadvocaten
 

de2d43a2-98ae-4397-9c7b-33e6e340e764
e7cbfe59-8b6f-4670-8bec-d75a29623790
e8649683-cbfb-4474-93c2-0baba8511c23
                       CGK Advocaten • Paleisstraat 24 • 2018 Antwerpen
                                           Info@cgkadvocaten.be
GORIS, KIPS en MAES BVBA - BE0461.168.781  -   LEPERE ADVOCATEN BVBA - BE0875.340.173